Methaanemissies binnen de gasinfrastructuur staan al enkele jaren nadrukkelijk in de belangstelling. Hoewel ze procentueel gezien slechts een relatief klein deel van de totale broeikasgasemissies in Europa vertegenwoordigen (ca. 6%), kunnen vooral binnen de gasvoorziening met gerichte maatregelen verdere methaanemissies worden verminderd.
Door het hoge broeikaspotentieel van methaan, dat ongeveer 28 keer groter is dan dat van CO₂, kan verdere emissiereductie een belangrijke bijdrage leveren aan het terugdringen van de klimaatimpact.
Het is dan ook niet verrassend dat het Europees Parlement in juni 2024 de nieuwe Verordening (EU) 2024/1787 betreffende de vermindering van methaanemissies in de energiesector heeft gepubliceerd, hierna de EU-methaanverordening genoemd.
LDAR en rapportage: Europese verplichtingen in de Nederlandse praktijk
De EU-methaanverordening verplicht exploitanten van fossiele gasinfrastructuur onder andere om periodiek controles op lekkages uit te voeren en hierover te rapporteren. Dit gebeurt binnen een LDAR-programma (Leak Detection and Repair). Daarnaast gelden beperkingen voor het afblazen en affakkelen van methaan.
Voor de uitvoering van lekdetectie binnen Nederlandse gasnetten zijn bestaande Nederlandse normen en richtlijnen van belang. Zo beschrijft NEN 7244-9 eisen en werkwijzen voor het opsporen van gaslekken in gasdistributienetten. Voor het toepassen van Optical Gas Imaging kan onder andere NTA 8399 relevant zijn.
Naast het lokaliseren van lekkages krijgt ook het kwantificeren van methaanemissies een steeds belangrijkere rol. Daarbij moet niet alleen worden vastgesteld dát er een lekkage aanwezig is, maar ook hoeveel methaan daarbij vrijkomt. De resultaten moeten controleerbaar worden vastgelegd voor rapportage en opvolging.
Ook voor afblazen en affakkelen stelt de EU-methaanverordening aanvullende eisen. Waar mogelijk moet het vrijkomen van methaan worden voorkomen of beperkt en moeten relevante emissies worden gedocumenteerd.
Lekdetectie in de praktijk: beproefde werkwijzen binnen Nederlandse gasnetten
In Nederland liggen de methaanemissies vanuit gasdistributie- en gastransportnetten over het algemeen op een relatief laag niveau. Om een veilige en betrouwbare gasinfrastructuur te waarborgen, werden gasnetten ook vóór de invoering van de EU-methaanverordening al periodiek gecontroleerd op lekkages.
Voor het bovengronds opsporen van gaslekken binnen Nederlandse distributienetten is onder andere NEN 7244-9 relevant. Deze norm beschrijft eisen en werkwijzen voor het systematisch controleren van gasleidingen op lekkages.
De periodieke controle van gasnetten vormt een belangrijk onderdeel van het beheer en onderhoud door netbeheerders. Hiervoor kunnen verschillende meetmethoden worden toegepast, zoals bovengrondse lekdetectie met een tapijtsonde, lekdetectie met een e-scooter of voertuiggebonden lekdetectie.
Welke methode het meest geschikt is, hangt af van de omstandigheden. In stedelijke gebieden kunnen bijvoorbeeld andere eisen gelden aan bereikbaarheid, meetsnelheid en gevoeligheid dan in landelijke gebieden. Er bestaat daarom niet één methode die voor iedere situatie de beste keuze is. De toegepaste meetmethode en apparatuur moeten aansluiten op het leidingnet, de omgeving en de geldende
Van leidingnetcontrole naar kwantificering van methaanemissies
Uitgevoerde leidingnetcontroles en lekonderzoeken worden in Nederland al geruime tijd door distributie- en transportnetbeheerders gedocumenteerd. Geconstateerde lekkages worden daarbij beoordeeld, vastgelegd en waar nodig geclassificeerd op basis van risico en vereiste opvolging. Een gestructureerde rapportage en documentatie van leidingnetcontroles is dus niet nieuw.
Met de invoering van de EU-methaanverordening (EU) 2024/1787 komt daar echter een belangrijke verplichting bij: naast het opsporen en lokaliseren van lekkages moet ook de methaanemissie aan de bron worden gekwantificeerd.
Maar hoe wordt de omvang van een lek of methaanemissie bepaald?
Bij kwantificering wordt niet alleen vastgesteld dát methaan aanwezig is, maar ook hoeveel methaan daadwerkelijk vrijkomt, bijvoorbeeld uitgedrukt in gram per uur (g/h).
Voor leidingnetcontrole is in Nederland onder andere NEN 7244-9 relevant. Voor toepassingen met Optical Gas Imaging kan NTA 8399 van toepassing zijn. De gekozen methode voor kwantificering moet daarnaast aansluiten op de eisen van de EU-methaanverordening.
Afhankelijk van de toepassing kan kwantificering plaatsvinden op bron- of locatieniveau, met bijvoorbeeld directe metingen, OGI of mobiele meetmethoden. Hierbij moeten de meetresultaten betrouwbaar, reproduceerbaar en geschikt zijn voor rapportage.